Columnist Marnix Peeters vindt dat het publiek te gemakkelijk over de herhaalde verkeersovertredingen van Ruben Van Gucht heen kijkt. In zijn opinierubriek hekelt hij de collectieve toegeeflijkheid tegenover een bekende Belg die in één kwartaal vier keer voor de politierechter verscheen. Volgens Peeters wordt het gedrag van de man afgedaan met een schouderophaling, omdat hij er goed verzorgd en gekleed uitziet.
Van Gucht wordt in de column een golden boy genoemd. De overtredingen waarvoor hij moest verschijnen hadden telkens betrekking op het verkeer. Het gaat om vier verschijningen binnen drie maanden, en volgens Peeters laat het publiek die cijfers vrijwel ongemoeid. Het feit dat hij er charmant uitziet en een gepolijst voorkomen heeft, lijkt voldoende om de ernst van de zaak weg te wuiven. Peeters stelt dat die houding niet alleen de betrokken persoon betreft, maar ook de manier waarop de samenleving omgaat met het gezag van de rechtbanken. Wie herhaaldelijk voor dezelfde soort feiten terechtstaat, zo redeneert hij, verliest in de publieke perceptie al snel zijn ernst, zolang de betrokkene maar aantrekkelijk blijft.
Peeters maakt zich vooral zorgen over de gevolgen van zo’n roekeloos gedrag. Zijn vrees is dat iemand die zo doorgaat met het negeren van wat rechtbanken opleggen, uiteindelijk een omstander zal verwonden. Het publiek, zo stelt hij, duldt een sympathieke schurk die telkens opnieuw de rechter tart. Hij vergelijkt die houding met het beeld van een verdoolde Kuifje: iemand die rechtbanken wat uitdaagt, zolang het maar niet misloopt. Volgens Peeters loopt het pas mis wanneer die persoon iemand van de weg maait. Dat is precies het moment waarop de lichtvoetige omgang met de herhaalde overtredingen volgens hem onverantwoord wordt, omdat de schade dan niet langer alleen het imago van de betrokkene treft.
De column past in het bredere opiniewerk van Peeters, die ooit jarenlang interviews en reportages maakte voor de krant en nu vooral scherpe columns schrijft over maatschappelijke kwesties. Zijn kritiek richt zich dus niet zozeer op één individu als wel op de manier waarop de samenleving omgaat met herhaalde overtredingen door publieke figuren. Hij bekritiseert een publieke reflex die fouten van sympathieke bekende personen sneller door de vingers ziet dan die van anderen. Dat de tekst een opiniestuk is, betekent dat de standpunten die Peeters verwoordt zijn eigen visie weergeven en niet als vaststaande feiten moeten worden gelezen. De column legt de vraag bloot hoe ver de tolerantie van het publiek gaat wanneer een bekende Vlaming de grenzen van het recht blijft opzoeken.
8